Dit werd toen getaxeerd op 1300 guldens en was het op twee na grootste huis in de stad. Als opslagruimte werd hem door het stadsbestuur een gedeelte van het koor van de Grote Kerk en de zolder van de balans ter beschikking gesteld.

Nog in hetzelfde jaar, 1598, rustte hij in samenwerking met de Staten- Generaal een flottielje van vijf schepen uit, o.l.v. Julius Cleerhagen, Gerard Strijbosch, Cornelis de Moucheron en Joris van Spilbergen. Hun opdracht was het eiland Principe te veroveren. Balthazar wilde van dit eiland een steunpunt maken en een verversingsstation voor de schepen op hun reis naar Indië. Op 10 augustus werd het eiland zonder bloedvergieten ingenomen. Na enige tijd slaagde het verzet op het eiland er in, m.b.v. troepen uit San Thomé, de Hollanders te verdrijven. Cleerhagen en Strij bosch waren toen al overleden. Hulp in de vorm van de schepen De Moor, o.l.v. Melchior Proost en De I-ioop, o.l.v. Laurens Chistiaanse, kwam te laat om het eiland te kunnen behouden. Van een bemanning van 350 koppen, zagen nauwelijks 100 het vaderland terug! Eén van de overlevenden was Joris van Spilbergen. Ook een tweede poging van Balthazar tot het stichten van een steunpunt liep op niets uit. In 1599 reedde hij, in samenwerking met Pieter van der Hagen en de Staten-Generaal, een vloot van 10 schepen uit en in totaal 1000 koppen. Doel was oorlogsbuit (kaapvaart tegen Spanje) een de verovering van San Thome. 15 mei 1599 vertrok deze vloot uit Vlissingcn. Ondanks de plundering van de Canarische eilanden en de inname van San Thomé, liep de expeditie uit op een financieel debacle. Balthazar de Moucheron maakte zich in ieder geval los van Van der Hagen.

                                                                                                       Balthazar de Moucheron

Balthazar de Moucheron is een van de oprichters van de VOC hij was de zoon van Pierre de Moucheron, die in 1530, vanuit Roussy le Farcq in Frankrijk, naar Middelburg kwam. Hier huwde Balthazar in 1535 Isabeau de Gerbier.Middelburg was ooi een welvarende handelsstad toen zijn vader Pieere de Moucheron er ingeschreven werd als ingezetene maar de positie van Middelburg als handelscentrum werd in de daaropvolgende jaren aangetast door o.a. de verzanding van de Arne, de oorlogen tegen Frankrijk en Spanje en de opkomst van steden als Antwerpen, Vlissingen en Veere Toen in 1545 ook nog de pest uitbrak in de stad, vertrok Pierre de Moucheron naar Antwerpen. In 1551 werd in deze stad zijn zoon Balthazar geboren. de vader van Balthazar overleed in 1567; zijn moeder in 1569. De familie De Moucheron stond toen al te boek als zijnde calvinistisch. Zoon Pieter zette, samen met zijn broers Melchior en Balthazar, het bedrijf van zijn vader voort. De aandacht van de gebroeders ging in eerste instantie uit naar de handel met het "hoge noorden". Al sinds 1553 waren de Engelsen in de Witte Zee aktief. De eerste "Hollandse expeditie" vond plaats in 1577. Enkele van de redenen om voortaan zelf met Indië handel te willen drijven, waren de omstandigheden dat het aanbod van specerijen in Europa ver achter bleef bij de vraag en Koning Filips II van Spanje embargo's oplegde aan de Nederlandse koopvaarders in het Iberisch schiereiland. In eerste instantie zocht men vanuit de Nederlanden een doorgang naar Indië via het Noorden. Die route zou korter, gezonder en veiliger zijn dan de reis om Kaap de Goede Hoop. Kapitaal en kennis voor het uitvoeren van zulke expedities waren op dat moment ruim voorhanden in de Nederlanden.

De gebroeders De Moucheron wilden de Engelsen indien mogelijk vóór zijn in het ontdekken van een doortocht via het Noorden naar Indië. In 1584 vertrok de expeditie o.l.v. kapitein Adriaen Creyt en Melchior de Moucheron uit Vlissingen, met als doel: verkenning van de Zee van Kara ofwel de Tartaarse Zee. De door deze expeditie gestichte nederzetting aan de monding van de Dwina, bij het aan de aartsengel Michael toegewijde klooster, groeide uit tot de stad Archangel, algemene markt en stapelplaats van de handel op de Witte Zee. Archangel bleef tot 1590 de enige Nederlandse handelspost. Weldra was het met de handel van de Engelsen in de Witte Zee gedaan. In deze begintijd werden de gebroeders De Moucheron gesteund door Olivier Brunel, Jan van de Walle (alias Beloborod = Man met de Witte Baard), Gillis Borremans en Francois de la Dale. Het jaar 1585 staat bekend als het jaar van de val van Antwerpen, het jaar waarin deze stad zich moest overgeven aan de Spanjaarden. Het gevolg daarvan was een uittocht uit de stad van Protestanten, die voor hun leven vreesden onder het bewind van de katholieke Spanjaarden. 17 augustus 1585.

 

 

                       De overgave van de stad Antwerpen.                
         Onderhandelaars en ondertekenaars van de overgave;

by auctorisatie ende inden naem vander stadt van Antwerpen:
PHILIPS VAN MARNIX. WILLEM VAN MERODE.
JAN VAN SCHOONHOVEN. ANDRIES HESSELS.
MATTHEUS VAN LANNOY. LOYS MEGANC.
CORNELIS PRUYNEN. PHILIPS DE LANTMETER.
ADRIAEN BARDOUL. HANS DE WEERT.
GILLIS SAUTIJN. AERT of ARNOULT BOUDEWIJNS.
WILLEM VAN SCHOOTEN. JOHAN GODIN.
BALTHASAR DE MOUCHERON, in plaetse van LOUIS MALEPART.
JAN RADEMAKER. HERMAN VAN DADENBORCH.
HENRICK VAN ERP. JAN GARIJN.
DIERICK VAN OS.

 

 

Reede van Veere met de schepen "De Ram"

"Het Lam" " Het Schaap" bij het uitvaren in 1601

 

                                            

Ook Balthazar de Moucheron verliet de stad. Hij vestigde zich in Middelburg. Omdat de oorlogstoestand voortduurde, moesten er maatregelen worden getroffen om de handelsschepen te beschermen. Dat zou gebeuren middels het konvooieren door oorlogsschepen tot aan de monding van de Seine. Om een en ander te vergemakkelijken sloot Balthazar de Moucheron met 24 andere kooplieden het zogenaamde Consulaat, ofwel College der Consuls. De inheemse gevestigde orde van Middelburg weigerde echter zich aan te sluiten bij de ondernemingen van Balthazar. Zij vormde o.l.v. burgermeester Ten Haeff een eigen compagnie. De "nestor" van de Middelburgse kooplieden, Simon Jaspersz. Parduyn, koos wel de kant van Balthazar evenals Jacob Valcke (tresorier-generaal van Zeeland), Pierre le Moyne (neef van Balthazar), Taurin Denis, Joos Nevejans en Paul Chouart (heer van Buzanval). Beide groepen stonden vaak scherp tegenover elkaar. Vanuit Middelburg handelde de compagnie van Balthazar voornamelijk op Antwerpen, steden in Frankrijk zoals Rochelle en St. Malo, en vooral met de Canarische- en Kaapverdische Eilanden voor wijnen en zout. In 1594 rustte Balthazar een expeditie uit o.l.v. zijn neef Cornelis naar de Westkust van Afrika.

Deze Cornelis voer als eerste Nederlander de Senegal en de Sambia-rivier op. Een volgende stap waren de expedities in 1595 en 1597 naar Noord- en Zuid-Amerika. Ondertussen was Balthazar de mogelijkheid van een tocht om de Noord naar Indië niet vergeten. Al in 1593 lichtte hij Jacob Valcke in, die toegang had tot Maurits, Prins van Oranje. Maurits wilde zijn ondernemingen steunen en daarom werden in Den Haag besprekingen gevoerd waaraan, naast Maurits, ook werd deelgenomen door Oldenbarneveldt en Reinier Cant, burgemeester van Amsterdam.'Deze besprekingen leidden ertoe dat de verantwoordelijkheid uit handen van Balthazar werd genomen en bij de Staten-Generaal werd gelegd. Zij zouden de expeditie betalen en zij wilden de opbrengst houden. Meningsverschil bleek er te bestaan over de vraag waar men de doorgang naar Indië moest zoeken: ten Noorden van Nova Zembla (voorstel van de stad Amsterdam) of langs het eiland Waygats (voorstel van Balthazar de Moucheron). Op 5 juni 1594 vertrokken drie schepen, waaronder de Zwaan van Veere, vanaf de rede van Texel. Twee schepen voeren via Waygats en de Straat van Nassau. Zij kwamen in open water terecht (de Karische Zee) en meenden de doortocht te hebben gevonden. Het derde schip kon de doortocht ten Noorden van Nova Zembla niet vinden. Op 1(, september 1594 waren de schepen in de Nederlanden terug. Allen geloofden nu in de mogelijkheid van een doortocht naar Indië via het Noorden. In zijn ''Discours en Advis'' voor de Staten van Zeeland, deed Balthazar de Moucheron daarom uit de doeken wat volgens hem nodig was om de tocht naar China via de Straat van Nassau veilig te stel- len. Maar de volgende tocht mislukte. Voornaamste oorzaken waren de slechte uitrusting en het feit dat de langdurige onderhandelingen ertoe leidden dat de reis pas op 2 juli 1595 kon worden begonnen. De drie Zeeuwse schepen waren al op 20 november terug in Veere. De derde tocht, in 1596, onder leiding van Willem Barentsz en Jacob Heemskerk, leidde tot de overwintering op Nova Zembla. Hierna had de reis om de Noord haar aantrekkelijkheid voor de handel verloren. Aller ogen richtten zich nu op de tocht naar Indië via Kaap de Goede Hoop. Dat die route nu in de belangstelling kwam, was mede te danken aan de suksesvolle reis van de gebroeders De Houtman via de Kaap. Zij waren in april 1595 vertrokken en keerden in augustus 1597 met positieve verhalen terug. Naar aanleiding van hun berichten werden meerdere rederijen voor de handel op Indië gesticht. In Middelburg een onder leiding van burgemeester Ten Haeff en een onder leiding van Balthazar de Moucheron. Te Arnemuiden liet laatstgenoemde de schepen De Leeuw en de Leeuwinne bouwen; samen 650 ton met een bemanning van 223 koppen. Deze schepen zetten op 25 maart 1.598, o.l.v. Cornelis en Frederik de Houtman, vanuit Veere koers naar Indië. In deze expeditie werd Balthazar gesteund door de Staten-Generaal met kanonnen, ammunitie en vrijheid van belastingen. Prins Maurits verleende de artikelbrief. Rond deze tijd had Balthazar een contractmet het stadsbestuur van Veere gesloten en had hij zijn handelshuis in deze stad gevestigd van hieruit wilde hij de zaken groots aanpakken. In het contract, d.d. 28 mei 1598, beloofde hij jaarlijks vanuit Veere 18 a 20 schepen uit te zullen reden op: Oost en West Indië, Senegal, Kaap Verde, Guinea, Costa del Mina, Principe, Frankrijk, Spanje, Amerika en Tripoli. Het jaar daarop kocht hij het huis van Everaert Lodesteijn in de Wijngaardstraat.

 

                            Anno 2002

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Joris van Spilbergen

Samen met zijn neef Pierre le Moyne reedde hij twee schepen uit naar de bocht van Guinea. Vier maanden lang hielden zij stand aan de rivier de Gabon. Het langst hield Joris van Spilbergen het uit. Eén jaar lang was hij gouveneur van Groot-Corisco. Ook de expeditie van Balthazar naar Brazilië en de Barbarijse kust liepen op niets uit. De reizen van De Hoop, o.l.v. Laurens Christiaansz. en Gillis Borremans en van De Jager en De Struis, o.l.v. Emanuel Parele naar Brazilië, eindigden zelfs in processen voor de vierschaar van de s:ad Veere. Begin 1600 reedde Balthazar, nu met hulp van de Staten van Zeeland, het schip De Moor, o.l.v. Melchior Proost uit voor een reis naar O-Indië, en een expeditie van vier schepen. o.l.v. Joris van Spilbergen en Willem Lodcwijcx naar West-Indië. In augustus van datzelfde jaar was Van Spilbergen al weer terug. Hij had een schip buitgemaakt: de Nuestra Senora del Rosario (Onze Vrouwe van de Rozenkrans). Over de verdeling van de lading ervan ontstond meningsverschil van de Admiraliteit. Het kwam tot een proces en de Admiraliteit legde ook beslag op de goederen die door de andere schepen van Balthazar in Arnemuiden werden aangevoerd. Pas toen Balthazar openbaarde dat ook Prins Maurits belang had bij de (buit)goederen, kon hij tot een akkoord komen met de Admiraliteit. Financieel zal het er door al deze mislukte expedities en de daaropvol- gende processen, niet beter op geworden zijn voor Balthazar. Ook niet na de terugkeer van De Leeuw en de Leeuwinne in Veere, op 29 september 1600.

Op 21 november van dat jaar sloten de compagnons van Balthazar zich aan bij de compagnie van Ten Haeff, tot de Verenigde Zeeuwsche Compagnie. Alleen Simon Parduyn, Pieter van Hecke en Pierre le Moyne bleven Balthazar trouw. Maar ook de expedities in de jaren 1601-1603, naar de Baai van Saldanha, naar Guinea, de kust van Brazilië en het Koninkrijk van Monomotapa, leidden slechts tot relatief geringe winsten en hoge proceskosten. De grootste onderneming van Balthazar in deze jaren stond o.l.v. Joris van Spilbergen. Die zeilde op .5 mei 1601 vanuit Veere, met de schepen Het Lam, Het Schaap en De Ram, naar Oost-Indië. Een van de redenen waarom Balthazar deze expeditie uitrustte, zal geweest zijn de wens Frederik de Houtman te bevrijden, die tijdens de vorige expeditie naar Oost-Indië in de Baai van Atjeh gevangen was genomen. De expeditie o.l.v. Joris van Spilbergen zou de laatste grote onderneming van Balthazar vanuit Veere zijn. Financieel zat hij aan de grond. Alle uitstaande vorderingen en zelfs de te verwachten retourvrachten waren gecedeerd aan zijn schuldeisers. Op 20 maart 1602 vaardigden de Staten-Generaal het octrooi op de vereniging der kamers van de verschillende compagnieën uit. De VERENIGDE OOST-INDISCHE COMPAGNIE was een feit.

                                                             

het monopolie van deze compagnie, geldig voor de tijd van 2l jaren, benam Balthazar de Moucheron de mogelijkheden zijn fortuin te herstellen. Mededinging in het handeldrijven op Oost-Indië was voortaan onmogelijk. Wel behield Balthazar het recht privé-handel te drijven op de Kust van Sofala (de oostkust van Afrika) en kreeg hij een bewindhebbersplaats in de Kamer Zeeland van de V.O.C. Maar Balthazar woonde maar één vergadering bij, die van 30 maart 1602. et jaar daarop ontvluchtte Balthazar de Moucheron Veere. De Staten van Zeeland ontzegden hem het verblijf in het gewest en het stadsbestuur van Veere legde beslag op al zijn goederen. In 1605 werd zijn huis in de Wijngaardstraat eigendom van de stad. Tot die tijd was zijn vrouw hier blijven wonen.                                                                                    

                                                                      

Joris van Spilbergen keerde op 24 maart 1604 behouden uit Oost-Indië terug in Vlissingen. Bij zich had hij een schat aan ,robijnen saffieren topazen en andere edelstenen welke hij van de maha-radja van candy ten geschenke had gekregen.De crediteuren van de Moucheron.Zijn vrouw was in Middelburg aanwezig bij de sortering maar moest toezien dat 6 dozen vol werden geborgen in een grote ijzeren kist waarvan de hoofdsleutel bewaard werd door Simon Perduyn , ten tweede bij Pieter van Hecke en de derde bij Joris Spilbergen , ( opgetekend in een akte op 14 Juni 1605 door de magistraat van Middelburg ) echter Balthazar zijn vrouw had uit de lading edelstenen op een of ander manier iets voor zich zelf gehouden die zij als haar eigendom beschouwde.Kort te voren was er beslag gelegd op haar meubels en ze zou op korte termijn uit haar huis gezet worden. Zij dacht veilig te zijn op het beurtschip van Delft maar op last van de Baljuw werd haar bagage van boord gehaald en in beslag genomen. De juwelen werden getaxeerdDe juwelen werden getaxeerd door juwelier Johannes Sneewater in den Haag

Balthazar de Moucheron onderhandelde op dat moment met Koning Hendrik IV van Frankrijk over het oprichten van een Franse compagnie voor de handel met Oost-Indië. Waarschijnlijk overleed hij in 1630 in Frankrijk. De vóórcompagnieën, zoals er een door Balthazar de Moucheron werd opgericht, worden wel gelegenheidsondernemingen genoemd. Zij wer- den slechts voor één onderneming gevormd.

De initiatiefnemers en de participanten brachten voor een expeditie het benodigde kapitaal bijeen. Ieders aandeel was verhandelbaar. Na terugkeer van de expeditie werden de goederen en de schepen verkocht en vervolgens werd het kapitaal met eventuele winst naar rato verdeeld onder de inleggers. In 1602 werden in de steden waar de voorcompagnieën gevestigd of in oprichting waren, zes kamers opgericht: Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. De 13 contractanten van de Verenigde Zeeuwse Compagnie vormden met Balthazar de Moucheron de bewindhebbers van de Kamer Zeeland. In april werden Cornelis Somer, burgemeester van Veere en Jan Bouwensz. Schot, burgemeester van Vlissingen, toegevoegd.

Tekst; A.J.H.M. Prinsen (1987)

Archivaris van de Gemeente Veere

Dit stuk werd in 1585 gedrukt, te Antwerpen, inde Cammerstrate, “inden Schilt van Artoys”, door DANIEL VERVLOET.
Bron: Antwerpsch Archievenblad, Deel 4, blz. 248-261.


JACOB YNGELSsone, schipper van Vlissinghe, vercocht BALTHAZAR DE MOUCHERON, coopman en ingeseten borgher deser stadt, eenen boodt genaempt “De Valcke”, groot omtrent dertich last, out omtrent drye jaren mette gevolghe en toebehoorten … daeraf hy tweederde parten gecocht heeft tegens CORNELIS CLAES DE LICHTE en JAN PIETERS VISSCHIETER, poorters van Vlissinghe, en daeraf t resterende derde part hem van te voren toebehoorde.
Bron: Stadsarchief Antwerpen, Schepenregister 378, fol. 165.


Plattegrond Ca. 1600

 

 

DE MUNNIKENHOF TE GRIJPSKERK

 

De Munnikerhof werd in de late Middeleeuwen gebouwd en in de 16e eeuw ingrijpend verbouwd en heeft tot op de dag van vandaag grotendeels hetzelfde uiterlijk

De Munnikenhof werd gebouwd door de abt van Middelburg, als buitenhuis voor hemzelf en de kannuniken van de abdij. Staatsman en dichter Jacob Cats,kocht het huis van Balthazar de Moucheron 

Cats  naar wie het huis ook wel genoemd is, het 'Catshuis', legde bij het huis een omgrachte tuin aan, waar nauwelijks meer iets van over is.